
Aan de rand van een open plek in het woud stond een eik. Niet zomaar een eik — de Oude Eik. Hij was er al voor de oudste vos geboren was, en hij zou er, zo dacht iedereen, nog staan lang nadat de jongste mees was weggevlogen. Zijn stam was zo dik dat drie konijnen hand in hand hem niet konden omarmen, en zijn takken staken zo hoog dat de kraaien er hun beste nieuws vanaf riepen.
Klein konijntje Pim kwam elke ochtend langs, regen of zon, en legde zijn oortje tegen de stam. De eik kraakte dan zachtjes, alsof hij goedendag zei. Soms ruiste hij er een heel verhaal bij: over een storm van lang geleden, over een hertje dat onder zijn takken geboren was, over een uil die er wel duizend nachten gewoond had. "Goeiemorgen, Oude Eik," fluisterde Pim dan. "Goeiemorgen, kleine Pim," ruiste de eik terug. En dan wist Pim dat zijn dag goed kon beginnen.