
Aan de avondkant van het woud lag een breed water. Overdag leek het nog wel gemoedelijk: het kabbelde rustig, en de zon legde er zilveren lijntjes op. Maar zodra de wolken erboven kwamen hangen, werd het water donker en snel. De dieren noemden het simpelweg de Donkere Stroom, en altijd met een rilling in hun stem erbij.
Aan de ene kant woonden de meeste dieren: de open meers, het klare drinkplekje, de oude eik waar iedereen tegenaan leunde. Aan de andere kant stonden zeldzame bessenstruiken, veilige schuilplekken, en een heuveltje waar je zelfs 's nachts de sterren beter kon zien dan waar dan ook. Maar bijna niemand ging erheen. Niet omdat ze niet wilden, maar omdat er gewoon geen brug was. En zwemmen door die Donkere Stroom — dat durfden de meesten niet.