
Ginder aan de avondkant van het woud lag een breed water. Overdag scheen het nog wel gemoedelijk: het kabbelde, de zon legde zilveren lijntjes op de golven. Maar zodra de wolken erboven trokken, werd het donker en snel, dat water. De beestjes noemden het gewoon de Donkere Stroom, en altijd met z'n drieën zeker.
Aan de ene kant woonden de meesten: de meers, het klare plekje, de put, de oude eik. Aan de andere kant stonden er zeldzame bessenstruiken, veiligere schuilplekken en een terp waar je zelfs 's nachts de sterren beter kon zien. Maar bijna niemand passeerde ernaartoe. Niet omdat ze het niet wilden. Maar omdat er gewoon geen brug was. En zwemmen over die Donkere Stroom… dat durfden de meesten niet.