
De cobra woonde aan de rand van het bos, op een platte steen waar de zon altijd net iets te warm was. Hij was niet groot. Hij was niet luid. Hij was eigenlijk niet eens echt eng.
Maar als er iets gebeurde wat hem niet aanstond, draaide hij zijn kop weg. Hij zei niets meer. Hij keek niet meer. Hij was er nog, ja — maar niet meer mét u.
Hij noemde dat zelf 'kalm blijven'. Voor de anderen voelde dat heel anders. Het voelde alsof er een deur dichtging, zonder dat je wist wat je gedaan had.
