
Diep onder een oude beuk, tussen kronkelende wortels, lag het hol van de dassen. Het rook er naar mos en warme aarde, en aan het plafond hing een klein lantaarntje dat nooit helemaal uitging. Voor kleine Bas was dit het fijnste plekje van heel het woud, punt uit.
Papa-das was groot en sterk, met een rug zo breed dat er twee jonge dassen tegelijk tegenaan konden leunen. Hij groef nieuwe gangen als het hol te klein werd, hij rolde met Bas en Lin door de bladeren tot ze geen adem meer overhadden van het lachen, en 's avonds vertelde hij verhalen tot Bas insliep met zijn snuit diep in papa's vacht.
Mama-das hield het hol warm met haar liedjes — kleine wijsjes zonder veel woorden, die ze neuriede terwijl ze de slaapplekjes schikte. Lin, het zusje, was klein, dapper en bijna altijd vuil van het buitenspelen. Dat was hun gewone leven. Dat was hun veilig hol.