
Nilo was een haasje als alle andere haasjes in het bos. Twee lange oortjes, vier vlugge pootjes, een staartje dat wipte van verlegenheid als iemand hem aansprak. Van buiten niks bijzonders, echt niet.
Maar Nilo droeg iets dat niemand kon zien. Hij had een tweede vacht — een vacht van sterrenstof, die precies over zijn gewone vacht heen lag. Overdag was ze helemaal onzichtbaar, zelfs voor Nilo zelf soms. Maar 's nachts, als het maanlicht op zijn lijfje viel, begon ze zachtjes te glanzen: kleine pareltjes licht op zijn rug, zijn flanken, tot in zijn pootjes.
Die sterrenvacht was mooi, dat wel. Maar ze was ook zwaar, verrassend zwaar. Ze maakte Nilo moe op uren dat andere haasjes nog vrolijk aan het ravotten waren. Ze maakte hem prikkelbaar bij geluiden die andere haasjes niet eens opmerkten. En soms maakten zijn pootjes gewoon 'nee', ook al wilde Nilo met heel zijn hart 'ja' zeggen.