
Daar leefde, aan de rand van een vijver, een jong eendje met de naam Dorette. Ze stapte altijd rond met haar snaveltje omhoog en haar borstje vooruit, alsof ze de wereld een gunst bewees doordat ze erin liep.
"Kijk toch eens naar mijn veren," zei ze op een morgen tegen de kikker die op zijn steen lag te zonnen. "Puur goud. Jij bent groen en glibberig. Wel, om eerlijk te zijn, een aanslag op mijn ogen."
De kikker knipperde traag met zijn ogen en zei niets.