
Op een bemoste open plek in het bos woonde een jonge egel met zachte donkere oogjes en een rug vol stekels. Hij was een vrolijk beestje, dat het liefst rondscharrelde tussen de blaadjes op zoek naar iets lekkers, en dat 's avonds moe en voldaan tegen mama aan kroop.
Hij hield van knuffels van mama, van aaitjes onder zijn kinnetje, en van dicht tegen zijn zusjes aan slapen, allemaal op een kluitje in het warme nest. Zijn stekels lagen dan plat, zacht bijna, alsof ze wisten dat ze even niet nodig waren.