
Flor kwam in het Woudhuis toen ze nog klein was — een pluizig zwart pupje met vier witte sokjes en een witte plek op haar borst. Er woonden toen een meisje van twee en een jongen van vijf. De kleinste jongen van het Woudhuis was er nog niet; die zou pas jaren later geboren worden. Zo groeiden ze samen op: de kinderen en het hondje, jaar na jaar, allemaal tegelijk groter.
Van in het begin hield Flor van water. Niet van vijvers of plassen, maar van de waterval van thuis. Zo noemde ze de douche. Draaide iemand het kraantje open, dan kwam ze meteen aangelopen, snuffelend, met een staartje dat bibberde van blijdschap. 'Wilt ge erbij?' vroeg de mama van het Woudhuis dan lachend. En Flor stapte erin, oogjes halfdicht, alsof ze wou zeggen: ja, zo is het goed.
Ze leerde ook andere dingen. Zitten. Wachten. Naast iemand blijven, ook als het druk was in haar kleine hondenhoofd. Flor was geen gewoon hondje. Ze werd opgeleid tot hulphondje — een hondje dat later zou meelopen met iemand die haar hard nodig had.
