
Het woud was ooit één groot, ademend geheel. De bomen deelden hetzelfde licht, de wortels zochten in dezelfde aarde naar water, en de dieren liepen daar gewoon kriskras doorheen: herten tussen konijnen, muizen tussen vogels, dassen naast eekhoorns. Niemand die zich afvroeg van wie welke hoek precies was. De weide was 'onze weide', de vijver was 'onze vijver'. Zo simpel was het.
Maar traagjes, bijna zonder dat iemand het zag, kwamen er scheuren. Niet in de grond — wel in de koppen.
