
In het woud woonde een bruine hond. Hij had een zachte vacht en grote bruine ogen, maar bijna niemand zag dat. Iedereen zag vooral zijn tanden.
Als een konijn hem goedemorgen wenste, blafte hij: "Bemoei je met je eigen wortelen!" Als de vos vroeg of hij meeging jagen, snauwde hij: "Doe het zelf, stom beest." Als een merel een liedje begon, gromde hij: "Houd je snavel."
