
Hoog in een warme hoek van het woud, waar de takken dicht tegen elkaar groeiden, woonde ne luiaard. Hij heette Lumo. Hij had een zachte vacht, lange armen en een humeur dat meestal ergens tussen slaperig en klagerig in hing.
Lumo hield van drie dingen: hangen, dutten en klagen. "Het woud is zo'n rommel," zuchtte hij dikwijls. "Waarom ruimt niemand dat eens op?" Dat zei hij terwijl hij zelf in een hoop bladeren lag die hij nooit had opgeruimd.
