
Aan de rand van het woud, net waar het zachte mos overging in een zandig paadje, lag een mierenstad. Geen simpel hoopje aarde, maar een hele wereld onder de grond: gangen als straten, kamers als pleintjes, voorraadkamers vol zaden en kruimels. Van bovenaf zag je er bijna niets van. Van onderaf voelde het als een bruisende stad.
De mieren waren klein, maar samen waren ze sterk. Elke dag sleepten ze blaadjes, zaadjes en kruimels, rij na rij, alsof er een zwarte rivier over het pad stroomde. Niemand lette daar eigenlijk op. Behalve als ge per ongeluk op hun pad stapte — dan wriemelde het plots aan uw voeten.