
Diep in het woud, waar de bomen dicht bij elkaar stonden en de bladeren als dikke gordijnen over de takken hingen, woonde een nachtegaal. Overdag viel hij niet echt op. Tussen de mussen, merels en mezen leek hij gewoon een klein, bruin vogeltje.
Maar 's avonds, als de zon onderging en de eerste sterren verschenen, viel het stil in het woud. En dan zong hij. Zijn lied was niet het luidste, niet het meest indrukwekkend. Maar er zat iets in wat de andere dieren niet goed konden benoemen. Een eerlijkheid. Alsof zijn lied vertelde wat iedereen vanbinnen voelde, maar niet durfde te zeggen.
De dieren kwamen er graag naar luisteren. Het hert legde zijn kop in het gras. De uil hield één oog dicht en één open. De muizen kropen dicht tegen elkaar.
