
Aan de rand van het woud, vlak bij een open plek vol bloemen, woonde een pauw. Zijn veren schitterden in de zon, met groene en blauwe 'ogen' die je bijna verblindden als je er te lang naar keek.
Telkens als de zon opkwam, spreidde hij zijn staart open als een grote waaier en riep: 'Kijk naar mij! Niemand is zo mooi als ik. Niemand is zo slim als ik. Niemand doet het zo goed als ik.'
Veel dieren waren in het begin wel onder de indruk. Hij klonk zo zeker van zichzelf. Hij vertelde grote verhalen over hoe hij de vos had afgeschrikt, hoe hij de wolf om de tuin had geleid, hoe hij als enige wist waar de beste bessen groeiden.
