
In het hart van het bos woonde een hertje dat al een tijdje ziek was vanbinnen. Niet ziek zoals een verkoudheid, die je na een paar dagen kwijt bent. Ziek zoals een bewolkte hemel die maar niet wil opklaren.
Het hertje stond elke morgen op, maar de wereld voelde grijs. Het at een beetje. Het liep een beetje. Het lachte soms, maar dat lachen kwam niet tot in zijn ogen.
De andere dieren zagen het wel. De egel bracht soms een blaadje. De muis zat gewoon naast hem zonder iets te zeggen. De vlinder vloog in kleine cirkeltjes dichtbij, alsof ze wilde zeggen: 'Ik ben er.'
Ze vroegen niet te veel. Ze drongen niet aan. Ze bleven gewoon dichtbij, zoals stille lantaarns op een mistige avond. Het hertje begon traagjes, heel traagjes, iets te voelen. Niet veel. Maar genoeg.
