
De schorpioen woonde tussen de stenen, op een zonnig plekje in het bos. Hij had een glanzend pantser, een stevige schaar en een staart die altijd net iets te hoog stond.
Hij was niet bang. Hij had geen honger. Hij had geen vijanden. En toch — hij stak. Telkens opnieuw. Niet omdat het moest, maar gewoon omdat het kon.
'Een beetje plagen kan toch geen kwaad zeker?' zei hij dan, met dat ondeugend lachje rond zijn snuit.
