
Als de zon was gezakt en de dieren in het bos zachtjes ademden in hun holletjes en nesten, ging de spin aan 't werk. Ze hield niet van daglicht. En al zeker niet van getuigen.
Ze weefde haar netten tussen de takken, dun en glanzend. Maar wie goed keek, zag iets raars: die webben waren niet van zijde. Ze waren van woorden. Van gefluister dat ze stukje bij beetje had verzameld.
En de morgen erna, nog voor de zon goed op was, gleed ze geluidloos van tak naar tak om haar werk uit te delen.
