
Hoog in een oude berkenboom woonde roodborstje Riek. In één nest, met mama-vogel aan de ene kant en papa-vogel aan de andere. Drie hartjes, één tak, één thuis — zo was het altijd geweest, zolang Riek zich kon herinneren.
Het was niet altijd zacht in dat nest, dat moet gezegd. Soms tjirpten mama en papa op een toon die Riek helemaal niet mooi vond — alsof er ergens een stekeltje tussen hun veren zat dat pijn deed bij elk woord. Riek maakte zich dan zo klein mogelijk in haar hoekje en deed alsof ze sliep. Soms neuriede ze zachtjes voor zichzelf, gewoon om de stekels niet meer te horen.
Op andere dagen was het dan weer heerlijk warm. Ze zaten met z'n drieën in het zonnetje op de tak, en mama vlocht een klein veertje in Rieks vleugel, gewoon voor de lol. Op die dagen dacht Riek stiekem: misschien komt alles toch nog goed. Misschien zijn de stekels weg, voorgoed.