
In een hoek van het woud waar de zon altijd nét iets te fel scheen, werd er een vlinder geboren. Ze heette Willa.
Vanaf de eerste dag was ze anders dan de andere rupsen. Terwijl die stil in hun cocon zaten en geduldig wachtten, kroop Willa al naar buiten voor ze klaar was.
Ze viel. Stond recht. Viel opnieuw. Maar ze lachte ook harder dan de rest, ze zag dingen die anderen niet zagen, en als iets haar raakte, raakte het haar volledig — als een golf die haar meesleurde naar een oceaan die niemand anders zag.
Ze was altijd in beweging. Haar vleugels trilden zelfs als ze stilzat. Haar kopje was vol stemmen — niet gemene stemmen, maar een heel koor van gedachten die allemaal tegelijk wilden zingen.
De andere dieren keken haar aan en schudden hun kop. "Ze kan zich nooit concentreren." "Ze vergeet alles." "Ze is zo chaotisch."
En dat was waar. Soms. Maar ze vergaten te zeggen wat ook waar was: dat Willa een vlinder was die in één vlucht dingen zag waar anderen heel hun leven aan voorbij vlogen.
