
Aan de kant van een heldere beek woonde een familie wasberen in een hol onder een gevallen boom. Ze hadden pootjes zoals handige handjes en maskertjes rond hun ogen, waardoor ze er altijd uitzagen alsof ze kattenkwaad in hun zin hadden — zelfs als ze sliepen.
Het waren drie jonge wasberen: Roef, Mira en Jip. Ze hielden van spelen, klimmen, visjes vangen en elkaar plagen. Maar er was één ding dat ze nog vaker deden dan spelen: ruzie maken.
Als er iets misging, klonk het nooit: "Hoe gaan we dat oplossen?" 't Was altijd: "JIJ bent begonnen!" "Nee, JIJ!" "Het is zoals altijd jouw schuld!"
