
Diep in het bos, op een open plek waar het maanlicht door de takken viel, woonde een krekel met een stem als zilveren regen. Elke avond, als de zon achter de dennen zakte, klom ze op haar vertrouwde steen en begon te zingen. Het hele bos hield dan de adem in.
De egel legde zijn stekels neer. De muizen kwamen uit hun holletjes. Zelfs de oude uil hield eventjes op met knipperen. Zo ging dat, avond na avond, tot er op een dag een wesp aankwam. Ze had glanzende strepen en ogen als natte kiezelstenen, en ze bekeek de krekel van kop tot pootje.